Parijs schrijft voor
De dame voor me kocht een kandelaar die overdadig versierd was met engelen en bloemen. De winkelier zag dat ik keek en zei dat hij nog zo’n zelfde had staan. ,,Nee, mijn man vindt dat monsterlijk”, zei ik.
,,Oh, maar het mág weer!”, riep de dame. ,,Vroeger mocht dat niet, maar nu komt het allemaal terug! Net als die kerstversieringen die ze hier verkopen… Dat kón een jaar of tien geleden absoluut niet. Maar het mág weer!” Ze keek me stralend aan.
‘Parijs schrijft voor’, las je vroeger wel in modebladen. Toen ik opgroeide werden abstracte kunst, atonale muziek en plompe betonnen gebouwen voorgeschreven. We moesten het mooi leren vinden, legde mijn vader uit. We moesten met onze tijd meegaan. Een schoolvriend waarschuwde me voor burgerlijkheid en daaruit voortvloeiend fascisme.
Jarenlang hield ik geschrokken mijn mond. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan; ik begon te schrijven en kwam, schavend aan mijn formuleringen, onherroepelijk uit op wat ik werkelijk dacht en voelde. Vaak schrok ik daarvan.
Onlangs liep ik het Paleis op de Dam binnen. Ik kon mijn ogen niet van de kunstig ingelegde marmervloeren houden. Hoe déden ze dat toch? Prachtig! Ik probeerde me ertoe te dwingen naar de schilderijen te kijken, maar voelde een diepe tegenzin. Ineens dacht ik: ik hou niet van schilderijen. Ik hou niet van kunst. En ik hou het allerminste van mensen die over kunst praten. Onmiddellijk kwam de oproerpolitie in mijn hoofd aangesneld. Ho ho, dat ging zo maar niet! Ik was zélf kunstenaar! Ik schreef boeken! Moest kunst dan maar afgeschaft worden? Dan was ik zeker ook wel enthousiast over dit kabinet!
Deze discussie ging nog door toen ik in de tram zat, nutteloos en afmattend zoals discussies nu eenmaal zijn. Tegen wie verdedigde ik me eigenlijk en waarom?
Die avond vroeg een leerling me naar mijn mening over een recent verschenen roman. ,,Ik lees al een tijdje geen romans meer”, zei ik. Die uitspraak leidde tot schrik en verontwaardiging. ,,Maar ik heb vroeger wel heel veel romans gelezen,” zei ik nog ter verdediging. Het mocht niet baten. Volhouden moest ik, doorzetten.
Met gebogen hoofd wachtte ik tot ze klaar waren. Had ik mijn mond maar gehouden. Het is leuk en aardig om te zeggen wat je denkt, maar je moet er steeds zo veel bij uitleggen.
En dan nog hoort bijna niemand wat je zegt. Misschien ben ik daarom wel schrijver geworden. En toch…
In mijn eentje in mijn werkkamer, moet ik me langs een haag van boze, verontwaardigde mensen vechten voor ik durf op te schrijven wat ik denk.

















