Dodelijke clichés
Ik geef les in verhalen schrijven. Een van de opdrachten die ik aan mijn leerlingen geef, luidt: ‘Kees is veertien jaar. Hij loopt over straat en denkt dat hij zijn vader ziet. Maar zijn vader is al een half jaar dood. Beschrijf deze scène.’ Na tien minuten moeten mijn leerlingen voorlezen wat ze geschreven hebben. Negen van de tien verhalen beginnen als volgt: ‘Vet cool gaaf, die blackberry dacht Kees die voor een etalage stond. Z’n matties op school hadden ze allemáál, maar hij weer niet. Klote dat hij zo weinig zakgeld kreeg.’
Ik hoor het aan en lees dan de bladzijde uit Kees de Jongen voor waar deze scène op weergaloze wijze wordt beschreven. Kees de Jongen is een heel aardige jongen. De veertienjarige hoofdpersonen van mijn leerlingen zijn vet-cool-gaaf-egoïsten die alleen met skates, blackberries en kledingmerken bezig zijn.
Ik ken dat soort jongens niet uit mijn omgeving, maar in het proza van mijn leerlingen zijn ze alomtegenwoordig.
Bestaan die jongens of is het een cliché? Ik vraag het aan een leraar van een VMBO-school. Die windt zich direct op. ,,Volwassenen hebben een verwrongen beeld van kinderen. En het erge is dat kinderen gaan denken dat ze aan dat beeld moeten voldoen. Het is heel dwingend.”
Een andere vriend mengt zich in het gesprek. Hij werkt bij de ondertiteling voor doven en slechthorenden. ,,Er is één programma dat ik weiger te ondertitelen en dat is het Jeugdjournaal. Dan maak ik me te kwaad. Laatst ging het over kinderen die met verrekijkers de natuur in trekken om vogels te spotten. Ze werden zowat uitgelachen door de presentator. Vogels kijken? Was dat niet ontzettend duf? Ze gingen toch ook wel naar de disco hopelijk? Of waren ze soms een stelletje nerds? Die kinderen moesten zich bijna verdedigen.”
Het gekke is dat mijn leerlingen, die toch bij uitstek geïnteresseerd zouden moeten zijn in de werkelijkheid, altijd weer voor types kiezen in plaats van voor echte mensen.
,,In de tweede klas had ik vanochtend een leesles”, zegt de leraar. ,,Het is een artikeltje over een vrouw die in haar eentje de wereld rond zeilt. Aan het slot zegt die vrouw: ‘Ik heb mijn droom gevolgd. En als je een droom hebt en er voor gáát, dan kun je alles.’ ‘Jongens’, zeg ik dan tegen de klas, ‘dit is niet waar. Frederique, jij had zo graag een voldoende voor je proefwerk gehaald. Je hebt er hard aan gewerkt. En het is toch weer niet gelukt. Dan kun je nog zo’n ‘droom’ hebben, het gáát gewoon niet. Dus dat zeggen volwassenen wel de hele tijd, maar het is een leugen.’”
Ik denk aan mijn veertienjarige vriend Robinson, die me laatst voorstelde samen een kerstmaal met gebraden gans te maken. Aan zijn zusje Salie van vijftien, die op haar vrije zaterdag naar Buitenveldert fietst voor haar cursus Japans. Aan de dyslectische, boomlange Youri van vijftien die tegen me aan komt zitten als ik hem de ondertitels van Hamlet voorlees, een stuk waar hij geen bal van begrijpt.
Ik ga mijn leerlingen verbieden nog over vet-cool-gaaf-jongens te schrijven. Ze bestaan niet en wij moeten ze niet in het leven proberen te roepen.

















