Armoede minder erfelijk dan gedacht
Wie voor een dubbeltje is geboren heeft grote kans een kwartje te worden. Uit het jongste onderzoek van het SCP blijkt dat 93 procent van de kinderen uit arme gezinnen zich weet op te werken.
Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) presenteerde dinsdag 30 augustus de studie Voorbestemd tot achterstand?. Het SCP onderzocht in welke mate armoede op jonge leeftijd leidt tot armoede en sociale uitsluiting op volwassen leeftijd en welke mechanismen daarbij een rol hebben gespeeld. De conclusies: Mensen die 25 jaar geleden als kind arm waren, zijn dat nu als volwassene meestal niet. Van de 0-17-jarigen die in 1985 in een arm gezin woonden, zit nu 93 procent boven de armoedegrens.
Armoede in de kindertijd verhoogt echter wel de kans op armoede als volwassene, zo laat het onderzoek ook zien. Die is bijna twee maal zo hoog (7 procent) als bij niet-arme kinderen ( 4 procent). De kans op armoede als volwassene is groter wanneer kinderen langdurig arm waren (15 procent) en wanneer de armoede ze op jongere leeftijd overkwam (8 procent). Verdere conclusies: Arme kinderen (peiljaar 1985) hebben een kwart eeuw later meer materiële tekorten en een lagere sociale participatie. Ze hadden gemiddeld meer achterstanden op het gebied van opleiding, werk en gezondheid. Opleiding speelt in het proces een sleutelrol.
Het beeld dat het SCP schetst stemt niet overeen met de algemene gedachte dat armoede ‘erfelijk’ is, dat wie voor een dubbeltje is geboren nooit een kwartje zal worden. Of het onderzoek enige voorspellende waarde heeft, is lastig te zeggen. De onderzoeksperiode is een van de rijkste periodes uit de Nederlandse geschiedenis, waarin de emancipatie van vrouwen en arbeiders een hoge vlucht nam. Zo was goed onderwijs in de jaren tachtig en negentig nog een vanzelfsprekendheid voor iedereen. Anno 2011 zijn er alweer gezinnen waar kinderen niet kunnen studeren omdat ouders daar geen geld voor hebben.


















