In memoriam Clark Accord
Clark Accord is vrijdag 13 mei op vijftigjarige leeftijd overleden. De schrijver, die meerdere onderscheidingen in de wacht sleepte, kreeg in Amsterdam-Osdorp een uitvaart maar wordt in zijn geboorteplaats Paramaribo begraven. MUG-redacteur Toine Graus interviewde Accord in 2007 naar aanleiding van zijn derde roman Bingo!
Clark Accord beschrijft bingocultuur
door Toine Graus
‘Bingo’ is de derde roman van de Nederlands-Surinaamse schrijver Clark Accord. Het is een verslag van één avond bingo van een moeder en dochter, die vanuit Rotterdam met de bingobus naar Amsterdam gaan. Accord heeft als een antropoloog twee jaar onderzoek naar de bingocultuur gedaan.
‘Eén cijfer, één fucking cijfer maar!’ Haar vingers boren door het papier op de open plek te midden van het blauw. ‘Had hij met zijn zoute smoel elf geroepen, dan was ik uit de shit!’ Met een woest gebaar belanden de bingokaarten op de vloer. ‘Dit is de laatste keer dat ik mijn geld hier kom vermorsen. Ik zweer het je!’ (Uit: Bingo!)
Bij zijn onderzoek voor zijn roman Bingo! werd schrijver Clark Accord diep getroffen door het lot van de kinderen van bingoverslaafde moeders. Accord: ,,Vooral alleenstaande vrouwen met opgroeiende kinderen raken verslaafd aan bingo. Ze bekommeren zich nauwelijks meer om wat er thuis gebeurt. Al hun geld brengen ze naar de bingo. Er is geen geld voor leuke dingen, kleding en soms zelfs niet eens voor eten. Dan gaan de kinderen de straat op om zichzelf te redden. Zij zijn de ergste slachtoffers. Bij de jeugdhulpverlening weten ze er alles van.”
,,Bingo is een open zenuw. Ik heb het probleem zichtbaar gemaakt in mijn boek”, zegt Accord. ,,Met literatuur bereik je veel meer mensen dan met een wetenschappelijk rapport. Ik ben in de eerste plaats schrijver, maar wel een geëngageerde schrijver, geen politicus. Mijn boek gaat over universele thema’s, over communicatie en de relatie tussen moeder en dochter. Bingo speelt zo’n belangrijke rol omdat ik de Surinaamse gemeenschap in Nederland goed ken.”
,,Surinamers zien mij als hun spreekbuis. Dagelijks word ik op straat aangesproken. Zo kwam er iemand naar me toe die net uit de gevangenis kwam. Door zijn bingoverslaving was hij in de cirminaliteit terecht gekomen. Toen ben ik op onderzoek gegaan in de Amsterdamse bingohallen. Daar kwam ik vooral Surinamers tegen, merendeel vrouwen. Maar de problematiek is breder. In het zuiden heb je grote kienhallen waar het wit ziet van de mensen. Het is wel duidelijk een bepaalde klasse, die bingo speelt. Je ziet voornamelijk mannen in trainingspak en vrouwen in leggings. En Surinaamse vrouwen doffen zich enorm op.”
In Nederland spelen ongeveer 1,25 miljoen mensen geregeld bingo, of kienen, zoals het in het zuiden wordt genoemd. Dat aantal is de laatste jaren sterk gestegen. Die stijging heeft te maken met de opkomst van grote commerciële bingohallen, waar mensen dagelijks kunnen spelen om veel geld. vroeger werden bingoavonden zo nu en dan georganiseerd in de sportclub, op personeelsavondjes, in bejaardenhuizen en campingkantines. Er werd gewoonlijk niet om geld maar om goederen gespeeld.
Die onschuldige vorm van bingo bestaat nog steeds. Maar commercieel georganiseerde bingo’s zijn minder onschuldig. Bingo hoort tot de zogenaamde short odd-kansspelen. Winst of verlies zijn snel zichtbaar, in tegenstelling tot long odd-spelen, zoals loterijen waar soms weken zitten tussen inzet en uitslag. Bij een short odd-spel is de stimulans om steeds weer een gokje te wagen erg groot, zeker als de inzet niet al te groot is. Daarom is bij short odd-spelen het risico van verslaving hoog. Het risicoprofiel van bingo is overigens lager dan dat van casinospelen, fruitautomaten of het wedden op paarden.
Volgens Tijmen Horst, voorzitter van de Stichting Anonieme Gokkers Omgeving Gokkers (AGOG) is bingo de meest verraderlijke vorm van kansspelen: ,,Bingo is juist zo verraderlijk omdat het als onschuldig vermaak wordt gezien voor huisvrouwen en 50-plussers. Wij kennen schrijnende gevallen bij de AGOG van jongeren en ouderen, wier leven verwoest is door bingo.”
Volgens de AGOG is iemand gokverslaafd wanneer hij veel speelt, veel geld verliest, hij zowel zijn eigen leven als dat van mensen in zijn omgeving negatief beïnvloedt en daardoor in grote financële, maatschappelijke en psychische problemen komt.
Gokverslaafd word je niet van de ene dag op de andere. De incubatietijd varieert van één tot twintig jaar, met een gemiddelde van vijf jaar. Er zijn fases in te herkennen. Het begint met een aanloopfase en gaat van de winnende en verliezende fase naar de wanhopige fase. Dan worden de tragische effecten van het speelgedrag zichtbaar: grote schulden, verlies van contacten en relaties, vaak ontslag, psychische en lichamelijke klachten. Wanhoop slaat toe en de kans bestaat dat de verslaafde vlucht in zelfmoord (een op de vijf bingoverslaafden doet een zelfmoordpoging) of criminaliteit.
Maar genezingg is goed mogelijk. Ook daarin zijn fases te onderscheiden: de kritieke fase, herstel, en de fase van een groei naar een nieuwe manier van leven.
Terug naar Clark Accord: ,,Bingo is de golfbaan voor de armen. Alleenstaande vrouwen komen naar de bingo om andere mensen te ontmoeten en de eenzaamheid te verdrijven. Ikzelf kwam in die hallen ook veel mensen tegen die ik nog kende van school, uit de buurt of van familie. Er heerst ook wel een saamhorigheidsgevoel. Mensen lenen elkaar geld. Maar als wordt gespeeld zit iedereen geconcentreerd over zijn kaarten gebogen en moet je niet proberen een praatje te maken. Op het eind van de avond spelen ze staande, met de jas al aan. En nadat het laatste nummertje is afgeroepen, stroomt de zaal leeg. Napraten, homaar. Hoe gezellig is dat?”
,,Toch blijven ze komen. Bingo is spannend. Ik zat er zelf met adrenaline in mijn lijf als mijn kaart bijna vol was. Als je wint, ben je uit de problemen, kun je schulden betalen en weer even ademen. Officieel mag de hoofdprijs niet meer zijn dan 350 euro, maar als de jackpot valt, kan de winnaar met vele duidenden euro’s naar huis gaan. Maar spelen kost veel geld, vijftien euro per kaart. De meeste mensen spelen met vijf kaarten en doen mee aan allerlei tussenspelletjes. Dat wordt al gauw honderd euro per avond en drie keer per week kun je er gratis met de bingobus naar toe. Tel maar uit.”
Volgens Accord hebben veel mensen hulp nodig: ,,Schuldhulpverlening is geen oplossing. Dan moet een moeder met kinderen van vijftig euro in de week rondkomen. Dat lukt niet, dus gaan ze weer naar de bingo. Je kunt het de mensen niet kwalijk nemen. Die moeders zijn zo moe, hun leven is zo’n puinzooi. Ze hebben geen geloof meer in instanties. Bij de Sociale Dienst worden ze al bij voorbaat gezien als oplichters, die de zaak komen flessen. Ik pleit voor een generaal pardon voor bingoverslaafden: alle schulden kwijtschelden, schoon schip maken en een nieuwe start onder strenge begeleiding. Ze moeten leren budgetteren, maar wel met een reëel bedrag. Geen vijftig euro in de week.”
Accord vindt dat je mensen tegen zichzelf moet beschermen: ,,Net als bij het casino waar medewerkers rondlopen die getraind zijn in het herkennen van gokverslaafden. Je zou straatcornerworkers kunnen inzetten in de bingohallen. Het moeten mensen zijn die spelers kunnen vertrouwen. Er doet nu het verhaal de ronde dat ambtenaren van de soos stiekem meedoen om te controleren wie de hoofdprijs heeft gewonnen. Dan wordt dat geld afgetrokken van de uitkering.” [MUG Magazine, mei 2007, Toine Graus]

















